In 1945 schreef Dola de Jong (1911-2003) de roman ‘En de akker is de wereld’, over Europese vluchtelingen in Tanger. Nu in Tanger Afrikaanse vluchtelingen aan de poort van Europa rammelen, verschijnt de roman opnieuw. Wie was Dola de Jong?

Het was 6 februari 1995. Ik was 26 en voor het eerst in New York. Met mijn vriendin verbleef ik in een hotel op de hoek van 8th Avenue en 34th Street. Toen het in 1930 werd geopend, meldde een advertentie dat er radiotoestellen waren in alle 2500 kamers ‘with a choice of four stations’ en dat de liftjongens ‘as snappy-looking’ waren ‘as West Pointers’. Nu was het al twintig jaar in handen van de Moon-sekte en waren er vooral heel veel Koreanen in het etablissement, dat nog steeds een amechtige poging deed grandeur uit te stralen. Op straat een paar zwervers met brown bags in de snijdende kou, verder niemand.

‘Oh, hell’s kitchen,’ zei Dola de Jong onheilspellend toen ik haar vertelde waar we logeerden. We waren in New York om de toen 83-jarige schrijfster te bezoeken. Uitgeverij Vita zou haar roman En de akker is de wereld heruitgeven, en ik schreef er een biografische schets bij. Die avond troffen we elkaar voor het eerst. ‘Er is een film op televisie die jullie vast zal interesseren,’ zei ze, ‘mij interesseert het in elk geval. Een film over lesbisch in het leger.’ En zo zaten we dan in haar geheel in beige tinten uitgevoerde appartement in de Upper East Side op een ouderwets trinitron Sony televisietoestel te kijken naar Serving in Silence, met Glenn Close als getormenteerde officier annex closet lesbo en Judy Davis als haar artistiekerige geliefde. Het uitzicht vanachter de verticale lamellen in haar kleine appartement op de vierentwintigste verdieping van een flatgebouw aan East 80th Street was prachtig. Dola de Jong, een tengere octogenarian met nog steeds ‘een gezicht dat het beenderstelsel bezit van Katharine Hepburn’, zoals een journaliste ooit schreef, redderde met drankjes. Prominent aan de muur een oorkonde: ‘Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft aan de kunstenares DOLA DE JONG uit waardering voor haar arbeid een prijs voor LETTERKUNDE toegekend. Amsterdam, 1 november 1947. Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.’
Bijna vijftig jaar geleden. Wat was er in de tussentijd gebeurd met Dola de Jong?

Ongeconsumeerde liefde

De Jong belde de Chinees. ‘I want to put in an order. Baby shrimps with pine nuts. Diced chicken with cashew nuts and ten ingredients with lo mein.’
Ze haalde de warmhoudplaat alvast tevoorschijn (‘Ik ben op alles ingesteld’) en begon te vertellen. Zelf had ze, vertelde ze, ‘niet de minste aanvechting tot het lesbische, ik zie me dat helemaal niet doen.’ ‘Maar,’ verklaarde ze, ‘toen ik in de jaren dertig als danseres in Amsterdam werkte, had ik alle mogelijke van dergelijke gevallen om me heen, al die danstypes waren lesbisch. En toen dacht ik: daar moet ik toch eens over schrijven!’
Dus dat deed ze. Haar roman De thuiswacht (in Amerika verschenen als The Tree and the Vine) beschrijft de ongeconsumeerde liefde van Bea voor Erica, een meisje op sandalen, met hardblauwe wollen sokken, een rode sportblouse en kortgeknipt haar ‘met een franje in de nek als bij een jongen die nodig naar de kapper moet’, ‘ongelooflijk handig met gereedschappen’. 
Dit boek ‘over het leed van de sexueel niet normaal gerichte vrouw’, zoals de recensent van Vrij Nederland het samenvatte, was geschreven met ‘het medelijden, waaraan een auteur het recht van alles te mogen beschrijven ontleent’.

Te frivool

De Jong schreef de roman in 1952 in New York, waar ze aan het begin van de oorlog naar was uitgeweken, een beginnende carrière als balletdanseres, journaliste en schrijfster achter zich latend.

Haar moeder was overleden toen Dola vijf jaar oud was, en ze trok zich als kind al terug om verhalen en toneelstukken te schrijven. Ze wilde ‘aan het ballet’, maar haar vader vond dat veel te frivool. De journalistiek dan maar – behoorlijk uitzonderlijk voor een vrouw in die dagen. Ze werd volontaire bij de Nieuwe Arnhemse Courant en kreeg er naar eigen zeggen ‘een fantastische opleiding’. Maar toen haar werd gevraagd een lustmoord te verslaan, besloot haar vader dat ze dan net zo goed kon gaan dansen. Ze ging in Amsterdam wonen en nam les bij Lili Green, ‘waar ook Audrey Hepburn later les had’. Tot april 1940 danste ze in talloze balletten en verschillende opera’s. En bij het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in het Olympisch Stadion. Ze was ‘de best geklede danseres van Holland’, schreef een krant. ‘Ik was woedend,’ vertelde De Jong, ‘want met andere woorden: ze kan niet dansen, maar ze kleedt zich goed.’

Om wat bij te verdienen, schreef ze onder de naam Sourit Ballon ‘van die stinkverhalen’ voor de glossy’s van die jaren. Langzaam bouwde ze een carrière op als freelance journalist, ze schreef enkele kinderboeken en een bakvissenroman die zich afspeelt in de balletwereld: Dans om het hart.

Nogal griezelig

Het joodse was ‘iets toevalligs’ in de familie de Jong, ‘ik wíst nauwelijks dat ik joods was. Met kerst hadden we een grote kerstboom en mijn vader zong in het koor van de Matthäus Passion.’ Maar toen ze in maart 1940 met haar nichtje Mimi op de Albert Cuypmarkt collecteerde voor de Duitse Joden, wist ze genoeg: ‘Daar heb ik mijn leven aan te danken. Wat ik toen allemaal naar m’n hoofd geslingerd kreeg, ongelofelijk! We werden met de sentimenten van het gewone volk geconfronteerd, en dat loog er niet om. De hele dag kregen we antisemitische opmerkingen te horen. Ik dacht bij mezelf: maak je geen illusies. Toen we thuiskwamen, zei ik tegen Mimi: “Geen schijn van kans.” En ik ben gaan pakken.’

Haar vader wilde het niet zien. ‘Hij was net als die andere geassimileerde Nederlandse Joden die zich verbeeldden dat ze geziene burgers waren.’ Bovendien voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn firma M.S. de Jong in maatkleding, met vestigingen in Arnhem, Amsterdam en Den Haag.

In april 1940 kocht ze bij een reisbureau aan het Rokin een kaartje naar Tanger, waar ze na de nodige omzwervingen aankwam. Ze nam er een kamer in een hotelletje aan de boulevard en vond het er nogal griezelig: ‘Tanger, dat was toen nog ezeltjes en kamelen, hoor!’

Uiteindelijk betrok ze met haar verloofde, de kunstschilder Jan Hoowij, die per zeilboot naar Tanger was gekomen, een huisje uitkijkend over de Straat van Gibraltar. Een dag voor de Duitse invasie in Nederland werden Hoowij en De Jong getrouwd door de consul – het gelukstelegram van haar vader en stiefmoeder was het laatste wat ze van hen hoorde.

Vergoorde mensheid

Dola de Jong begon een dansschool aan de Rue Molière. Die school werd haar redding. Ze kwam er in contact met een Australiër die tijdens de Eerste Wereldoorlog hoofd van de Engelse Secret Service in Amerika was geweest. Hij had een dochtertje met een gedraaid voetje. Als danseres wist De Jong iets van spieren en elke dag deed ze oefeningen met het kind, waardoor het voetje herstelde. De man was haar zo dankbaar dat hij zorgde voor de papieren die De Jong en Hoowij nodig hadden om naar Amerika te gaan.

Aan het eind van de oorlog, toen ze al een paar jaar in New York woonde, schetste ze het Tanger van die dagen in haar roman En de akker is de wereld. De blauwe baai en de groene heuvels, de pastelkleurige huizen met hun geblokte tegelvloeren, de vismarkt waar ’s avonds de laatste rotvis voor een appel en een ei werd verkocht, de Spaanse school waar jongetjes in zwarte schorten lawaaiig speelden tot het donker werd, de avondparade op de boulevard en de rijen gele sloffen voor de moskee. De steile straten van de kashba, waar de scherpe lucht van urine om alle hoeken stond en de blauwe walm hing ‘van vis bakken, olijfolie, Spaanse pepers, kruiden, kamelenleer, bederf en mensenluchten.’

En de vluchtelingen, die in benauwde pensionkamertjes met gammele bedden en een petroleumstel op tafel probeerden hun vroegere regelmaat te hervinden. Ze hingen rond op caféterrassen, ‘de vergoorde mensheid aan tafeltjes achter hun zwarte koffie of absint. Geelbleke mensen, ze stonken naar ellende.’ Hun dagen gingen heen met gesjacher. ‘Ratten in de val, wanhopige pogingen om zich te bevrijden, voordat het te laat is. Opgejaagde mensen trachtten hun toekomst te verzekeren, liepen zich te pletter tegen een muur van diplomatiek gekonkel en huichelarij, de laagste vorm van koopmanschap, domheid, vooroordelen, onverschilligheid.’

De roman verscheen in juli 1945 in Engelse vertaling bij uitgeverij Scribner’s.
De oorlog was voorbij. Dola en haar broer Hans waren de enigen die het overleefd hadden, de rest van de familie was omgekomen in Sobibor. ‘Dat drama heb ik mijn leven lang weggestopt. Je hebt maar twee mogelijkheden: verdringen of je van kant maken.’ Ze deed het eerste.

Als een schoenlapper

Na En de akker is de wereld begon ze aan een nieuwe roman. ‘In Het huis der argeloozen beschrijf ik het leven van een Joodsche jonge vrouw, die naar Amerika komt en de houding van de Amerikanen tegenover de réfugiés,’ zei ze in een interview. Maar naarmate ze vorderde, werd het haar pijnlijker, en het boek zou nooit verschijnen.
En de akker is de wereld was inmiddels ook in Nederland uitgekomen, en in november 1947 kreeg De Jong de Prozaprijs van de Gemeente Amsterdam, de voorloper van de Multatuliprijs. Ze vloog over om de prijs in ontvangst te nemen, en de indrukken bij die terugkeer inspireerden haar tot een roman die de titel Return to Arnhem zou krijgen. ‘Het is min of meer een tour de force: één dag in Arnhem, confrontatie met het verleden,’ schreef ze Jan Greshoff, een bevriende schrijver. Maar ook dit boek zou nooit verschijnen.

Na De thuiswacht, dat ze schreef toen haar zoontje Ian nog een baby was en ze een oppas voor hele dagen had, kon ze zich nooit meer de luxe permitteren de boeken te schrijven die ze wílde schrijven. Ze moest zich ‘richten naar de markt’, zoals ze het noemde, want met haar werk voorzag ze in het onderhoud van haar gezin – ze was inmiddels gescheiden van Hoowij en getrouwd met Robert Joseph. (Hun zoon Ian kende maar drie woorden Nederlands, schreef ze een vriendin, ‘waaronder “Hè, hè”, als hij zich in een stoel laat zakken’).

Ze schreef kinderboeken en thrillers, ‘omdat er met romans niets meer te verdienen valt. Ik doe het als een vak, als een schoenlapper,’ zei ze in een interview. ‘Mijn bedoeling is om daarmee genoeg geld bij elkaar te sparen om aan het grote boek te kunnen gaan werken waarmee ik al drie jaar rondloop.’ Dat boek, waarin een in Amerika wonende Europese vluchteling nagaat wat zijn Europese verleden nog voor hem betekent, zou The Sum of All Moments gaan heten. In augustus 1960 was het al half af, zei ze, maar ook dat boek zou nooit verschijnen.

Gevaarlijke vrouw

Wel verscheen in 1960 de jeugdroman By Marvelous Agreement, in 1962 in het Nederlands vertaald als Begin maar opnieuw. Het is het enige boek waarin De Jong het verdriet, de eenzaamheid, het buitenstaanderschap van een vluchteling in New York expliciet aan de orde stelt. Het joodse weesmeisje Roza wordt als pleegkind opgenomen in het gezin van een Amerikaans echtpaar. Roza, die ‘echte moeilijkheden’ heeft gekend, ontdekt langzaam dat er ‘allerlei soorten van moeilijkheden’ bestaan, en dat ook haar Amerikaanse vriendinnen zo hun zorgen hebben.

In al haar boeken toont De Jong die compassie met zowel het grote als het kleine leed dat mensen kan overkomen. En omdat ze haar betrokkenheid met distantie brengt, wordt het nergens sentimenteel. Integendeel, in En de akker is de wereld worden de verschrikkelijkste dingen verteld op een onnadrukkelijke, constaterende toon.

Het boek beschrijft de neergang van Aart en Lies, een idealistisch, enigszins wereldvreemd Nederlands stel dat de beschaving wilde ontvluchten en op hun reis door Europa door de oorlog verweesde en ontheemde kinderen heeft meegenomen. In Tanger proberen ze een verdroogd stuk land te bebouwen, maar hun inspanningen blijven vruchteloos. En een voor een raken ze de kinderen kwijt – het vierjarige Franse jongetje Pierre moet z’n beentje missen na een verwaarloosde hondenbeet, het achtjarige Poolse meisje Loeba zoekt haar heil bij een man in een strandhuisje, met wie ze een door De Jong omfloerst benoemde maar toch niet mis te verstane verhouding krijgt, haar oudere, psychisch labiele zusje Maria wordt halfslachtig in huis genomen door de huichelachtige Nederlandse consul. En de zestienjarige Duitse jongen Hans begint een verhouding met een veel oudere vrouw die hij heeft ontmoet in de nachtclub waar hij glazen spoelt. Heel het verdorven, smerige, hopeloze leven in het Tanger van die dagen trekt aan ons voorbij.

‘Verspilde kracht, verspild leven, verspild water, verspilde zon, verspild verlangen voelbaar en zichtbaar te maken zonder woorden te verspillen is geloof ik een bijzonder grote kunst, en dat kan je dus dan toch maar,’ schreef Leo Vroman, met wie ze in New York bevriend was geraakt, haar (‘Wij hebben veel plezier samen,’ schreef De Jong aan Greshoff. ‘Het vermakelijkste is, dat men hem tegen mij gewaarschuwd had (sic). Hij kwam uit nieuwsgierigheid eens kijken en nu heet ik de gev. vr. (gevaarlijke vrouw).’).

Ontelbare moeilijkheden

Het speet De Jong dat ze nooit toekwam aan ‘het grote boek’ over de problemen van de réfugié in Amerika, maar het is de vraag of dat inderdaad, zoals ze beweerde, kwam door ‘de structuur van de markt’. Veel aannemelijker is dat ze nooit voldoende afstand heeft kunnen nemen van het onderwerp, en afstand was in haar ogen voorwaarde voor een goede roman.

De Jong wilde als auteur liefst ‘buiten het verband’ van het verhaal blijven, zoals ze Greshoff schreef. Te veel identificatie zou te pijnlijk zijn. ‘De laatste oorlog heeft mijn leven doormidden gesneden, me op een eiland gezet,’ schreef ze een vriendin. ‘Het moet om der wille van mijn man en kind en om verstandelijke redenen een schiereiland zijn – wat het dagelijks leven betreft – maar ik vermoed dat mijn werkelijke levenshouding in mijn werk tot uiting komt.’

Haar ‘principiële afzijdigheid’ lijkt ook te zijn voortgekomen uit de onmogelijkheid om te spreken over ‘al die ontelbare moeilijkheden’ die de diaspora met zich meebrengt, zoals ze heel veel later schreef in De Nieuwe Amsterdammer, een blaadje voor de Nederlandse kolonie in New York. Réfugiés werden geacht ‘enorm geluk gehad te hebben’ en hielden zich dus bescheiden op de achtergrond. Maar, stelde ze, ‘als je er even bij stil blijft staan, als je bedenkt wat het betekend moet hebben om helemaal overnieuw je leven te beginnen. En het voor elkaar te krijgen. En erover te zwijgen.’
circusballet

Na 1964 publiceerde De Jong geen romans meer. Lang had ze de feiten kunnen verdringen, maar uiteindelijk moest ze inzien dat haar leven was ‘vergiftigd door de jodenvernietiging’ en kon ze niet meer schrijven. Ze was haar vermogen om afstand te nemen verloren.

De haar talloze malen aan de hand gedane suggestie nu dan haar autobiografie te schrijven, wees ze af. ‘Dan zou ik alles weer opnieuw beleven. Dat kan ik niet meer aan,’ zei ze. Al was er genoeg te vertellen. In New York had ze aanvankelijk de kost verdiend door een circusballet in elkaar te zetten voor het circus van Bernard van Leer, was ze ‘Editor of Broadcast’ bij de Nederlandsch-Indische Voorlichtingsdienst en schreef ze boekbesprekingen. Ze werd er ‘the focal point of an intellectual and artistic circle made up out of Dutch, Belgian, and American members,’ herinnert zich een Harvard-docente die haar eind jaren veertig leerde kennen. Ze werkte als reader voor Amerikaanse uitgeverijen – bijna alle Nederlandse romans die tussen 1948 en 1975 in Engelse vertaling in Amerika uitkwamen (waaronder werk van Claus, Wolkers en Cremer) zijn door Dola de Jong aangeboden – en introduceerde Amerikaanse literatuur in Nederland. Ze maakte radioprogramma’s en schreef voor Nederlandse kranten en tijdschriften over literatuur, kunst en vrouwenzaken.

Ze scheidde van Robert Joseph en De Telegraaf kondigde in 1971 haar huwelijk aan met ‘OSCAR VAN LEER, de directeur en eigenaar van de gelijknamige KONINKLIJKE VATENFABRIEK’, zoon van Bernard van Leer in wiens circus ze nog had gedanst. Met hem woonde ze enkele jaren in Nederland (en vertoefde daar in de hoogste kringen – zo aten ze naar haar zeggen wel op Drakensteyn, waar Beatrix nieuwe recepten op hen uitprobeerde – ‘Ik was verschrikkelijk chic in vergelijking met die Hollandse vrouwen, Beatrix keek altijd wat ik aan had’).

De relatie liep stuk, en in 1978 keerde ze terug naar New York, waar ze begon aan een academische studie psychologie en literaire kritiek aan het Empire State College van de State University of New York. Op 71-jarige leeftijd behaalde ze cum laude de titel bachelor in arts. Tot haar 78ste bleef De Jong als docente creative writing aan de universiteit verbonden. Eind jaren tachtig begon ze te schilderen, en ze schreef een column in De Nieuwe Amsterdammer, ‘Mijn idee door Deedejee’.

De heruitgave van De thuiswacht in 1990 in de reeks ‘Moderne klassieken’ van feministische uitgeverij An Dekker deed de belangstelling voor De Jong weer even opvlammen, en ze was blij met de waardering van een nieuwe generatie. Ook de geplande heruitgave van En de akker is de wereld deed haar goed, al was haar manier van doen volgens een vriendin ‘vaak wat sikkeneurig, een beetje verongelijkt. Maar het is nu eenmaal zo dat je niet op grond van één, weliswaar heel prachtig boek, maar wel van veertig jaar geleden, nog voortdurend maar gefêteerd blijft worden, dat is gewoon niet zo, dat gaat voorbij.’

Dola de Jong in Calfiornië

Ik schreef mijn boekje en zou in de zomer opnieuw naar Dola de Jong toe gaan om met haar rond te toeren in Californië, waar haar zoon woonde. Maar een paar weken daarvoor kreeg ze een hartaanval. In het ziekenhuis las ze de drukproeven van de biografische schets nog nauwgezet door en voorzag ze van talloze aanvullingen en correcties.

Niet lang daarna ging uitgeverij Vita failliet. En de akker is de wereld werd niet herdrukt, Dola’s leven en werk werden niet opnieuw aan de vergetelheid ontrukt. ‘Pech is my middle name,’ zoals ze zei.

Acht jaar later overleed ze in Laguna Woods, Los Angeles, 92 jaar oud. ‘Dola de Jong, 92, Author of Mystery Novels’, kopte The New York Times. ‘Her best known work aside from her mystery novels is probably The Tree and the Vine, about a lesbian couple’s survival during World War II, first published in 1951. Ms. De Jong also won the City of Amsterdam Literature Prize in 1947 for her novel And the Field Is the World. It was republished in 1979 under the title The Field.’

Gelukkig stond de roman ook in de boekenkast van de moeder van uitgeefster Eva Cossee. Na het succes van de heruitgave van Een dwaze maagd van Ida Simons, eveneens afkomstig uit die boekenkast, werd Cossee gevraagd wat haar moeder nog meer in haar bibliotheek had staan. Daarop schoot haar meteen En de akker is de wereld te binnen.

En nu, twaalf jaar na de dood van Dola de Jong, verschijnt dat boek dan eindelijk opnieuw in Nederland.

Réfugiés scoren laag op de ‘wereldranglijst van Holocaust-ellende’, zo citeerde Dola de Jong met instemming Ed. van Thijn. ‘In Holland wuifden de roddelaars ze met een handgebaar weg,’ voegde ze daaraan toe. ‘“Rijke Joden”, zeiden ze, en ze negeerden alles wat er bij kwam kijken aan vervreemding, verdriet en razernij.’

‘Tegenwoordig is deze toestand universeel,’ constateerde ze met vooruitziende blik. ‘Dehalve wereldbevolking bestaat uit réfugiés.’

Het maakt En de akker is de wereld alleen maar relevanter.

Dola de Jong, ‘En de akker is de wereld’, 
Uitgeverij Cossee, 255 p., € 21,90